| Werkvormen |
Een student in de manuele
therapie doorloopt twee verschillende soorten stages:
De minikliniekstage start in het eerste
jaar. Deze vindt plaats in groepen van 8 studenten. Per
sessie komen er twee patiënten. Het diagnostisch proces
wordt door de studenten uitgevoerd onder begeleiding van
de stagebegeleider. Iedere student krijgt een rol. Eén
student doet de anamnese; een of twee andere studenten
het lichamelijk onderzoek; één student zorgt voor de
vertaling van de vaktaal en geeft nadere uitleg aan de
patiënt; alle studenten samen stellen de manueel
therapeutische diagnose vast en stellen vervolgens een
behandelplan op. Mogelijk wordt een deel van de
behandeling door een student uitgevoerd. In het eerste
jaar volgt de manueel therapeut in opleiding vier
minikliniekstages, in het tweede en derde jaar zes.
Tijdens de reguliere stage is de
student individueel te gast bij een stagebegeleider, die
hem/haar de hele dag begeleidt. In het kader van het
competentieleren kunnen alle patiëntencategorieën aan
bod komen. De begeleider zoekt patiënten uit die in
principe in aanmerking komen voor manuele therapie. Het
accent ligt op de manuele vaardigheden naar aanleiding
van het klinisch redeneren en de klinische besliskunde
bij de individuele patiënt. Deze stage begint in het
tweede jaar met twee dagen stage op één adres; in het
derde jaar volgen vier dagen op twee verschillende
adressen. |