3-jarige opleiding
Casuïstiek als uitgangspunt
Alle opdrachten vertrekken vanuit een casus en zijn dus gericht op de dagelijkse praktijk van de Master Bekkenfysiotherapie. De casus kan gaan over de klinische praktijk, maar ook over de professionele houding van de therapeut of de bedrijfsvoering. Zo komen alle rollen van de Master Bekkenfysiotherapie, zoals beschreven in het beroepscompetentieprofiel, aan bod.
Opbouw van de leerstof
Leerstof wordt aangereikt via vraagstelling. De vragen worden centraal gestuurd via het blokboek of individueel aangebracht. De leerstof wordt aangeboden in een concentrisch leermodel. Dat wil zeggen dat dezelfde vragen steeds weer voorbijkomen maar steeds meer factoren in acht nemen. Zo bouwt nieuwe kennis verder op wat eerder is geleerd. De opbouw van eenvoudig naar complex is op deze manier gegarandeerd.
Als Master Bekkenfysiotherapie in opleiding leer je de opgedane kennis te implementeren in de eigen praktijk. Dat doe je via implementatieopdrachten. Stap voor stap leer je hoe je wetenschap kan vertalen naar de dagelijkse praktijk. Deze opdrachten zorgen ervoor dat je al tijdens je studie nieuwe inzichten in je therapeutisch handelen kan integreren. Ook na je studie blijft dit een belangrijke en nuttige vaardigheid.
Toetsing
De competenties die de studenten ontwikkelen tijdens de opleiding zijn gericht op de beroepspraktijk. De toetsing is dan ook altijd praktijkgerelateerd. Je wordt getoetst op vaardigheden en je competenties om deze te integreren in de praktijk. Bovendien moet je in staat zijn je handelen te verklaren en te verantwoorden.
Tijdens de opleiding wordt er regelmatig getoetst. Voor de student heeft toetsing in de eerste plaats een feedbackfunctie. De informatie die de student krijgt via de toetsing, geeft hem/haar inzicht in de eigen ontwikkeling van competenties. Dit vormt aanleiding tot een tijdige (bij)sturing van het leerproces. Daarnaast kan een student via toetsing bewijzen dat hij/zij voldoet aan de vooraf gestelde criteria.
Werkvormen
De helft van de opleiding bestaat uit vaardigheidslessen. In een vaardigheidsles oefenen studenten hun professionele vaardigheden. Ze krijgen een opdracht die nauw aansluit bij een (complex) praktijkprobleem. De student brengt inzichten en vaardigheden uit verschillende domeinen samen om tot een oplossing te komen. Een gewone vaardigheidsles volg je samen met 28 collega’s, een vaardigheidsles inwendig handelen volg je samen met maximum 6 collega’s.
In een werkgroep is een groep van 14 studenten met elkaar aan het werk aan een opdracht. Het samenwerkend leren staat centraal. De student komt zo in de gelegenheid om ideeën en structuren met anderen te delen en feedback te ontvangen. De werkgroep wordt begeleid door een tutor.
Een studiegroep is een halve tutorgroep, dus 7 studenten, die samen de gezamenlijke opdrachten maken, de lesdagen voorbereiden, intervisies houden en het inwendig handelen oefenen. Het streven is een aantal studenten uit een bepaalde regio bij elkaar in een studiegroep te plaatsen.
In een responsiecollege staat het bespreken van gestructureerde informatie centraal. Essentieel is dat de studenten vragen kunnen stellen of worden uitgenodigd om vragen met betrekking tot de materie te beantwoorden.
Reflecteren is één van de manieren om te werken aan een professionele attitude. Reflecteren betekent dat je jezelf een spiegel voorhoudt om zo stil te staan bij hoe je bijvoorbeeld werkt, welke keuzes je daarbinnen maakt, welke vaardigheden je inzet en hoe dat voelt.
Er wordt met name gereflecteerd op het persoonlijk beroepsmatig handelen waarbij gekeken wordt naar jouw functioneren en handelen. Hierbij vraag je je af wat het effect is op de omgeving, de maatschappij en in hoeverre jij hier verantwoordelijk voor bent.
Tijdens de stage is de student individueel te gast bij een stagebegeleider, die hem/haar de hele dag begeleidt. In het kader van het competentieleren kunnen alle patiëntencategorieën aan bod komen. De stagebegeleider is een geregistreerde bekkenfysiotherapeut en ziet derhalve vrijwel uitsluitend bekkenfysiotherapie patiënten. Het accent ligt op de bekkenfysiotherapeutische competenties in relatie tot het klinisch redeneren en de klinische besliskunde bij de individuele patiënt. In totaal volgt een student 18 dagen stage. Deze dagen zijn verdeeld over drie jaar: in het eerste studiejaar 6, in het twee studiejaar 6 en in het derde jaar 6 dagen.
Omdat alle opleidingen aan de SOMT opleidingen in deeltijd zijn, besteden studenten een groot deel van de tijd aan zelfstudie. Dit zijn studieactiviteiten die zij zelf aansturen aan de hand van leertaken.







