Urodynamica van de Mictie

In programma staat de diagnostiek van de mictie centraal. De normale fysiologie van de aansturing en de functie van de lage urinewegen wordt besproken, met de mictie -functie als kernonderwerp. Uitgaande van een goed begrip van de normale functie worden vervolgens afwijkingen van de mictie geïntroduceerd en bediscussieerd. De diagnostiek van mictie afwijkingen wordt toegelicht met praktijkvoorbeelden en opdrachten. De mogelijkheden en beperkingen van de diagnostische methoden en de gestelde diagnosen zullen worden bediscussieerd in relatie tot de bekkenbodem functie, en de verbetering van die functie. In deze bijscholing worden de verschillende diagnostische methoden, diagnosen en behandelmogelijkheden met u op een rijtje gezet. Uiteraard zal het urodynamisch onderzoek, en vooral de voor de mictie relevante onderdelen ervan aan bod komen. We zullen ons afvragen wat de wetenschappelijke onderbouwing van de onderzoeksmethoden is en wat er bekend is van de klinische relevantie. Waar kijken we naar, in welke volgorde en wat voor conclusies kunnen we verbinden aan hetgeen we gevonden hebben? Welke conclusies trekt de uroloog en welke diagnosen stelt zij/hij. Welke behandelvraag komt bij de bekkenfysiotherapeut te liggen?

Doelstellingen 

  • De bekkenfysiotherapeut is in staat relevante anamnese vragen te stellen mbt de mictie.
  • De bekkenfysiotherapeut kan beschrijven welke urodynamische onderzoeksmethoden worden gebruikt voor het beoordelen van de mictie en kan de relevantie hiervan beschrijven en onderbouwen.
  • De bekkenfysiotherapeut kan een urodynamisch onderzoek (UDO)  lezen en interpreteren met betrekking tot de mictiefase.
  • De bekkenfysiotherapeut kan motiveren voor welke indicaties een UDO noodzakelijk is.
  • De bekkenfysiotherapeut kan een patient goed onderbouwd doorverwijzen voor en voorbereiden op een UDO.
  • De bekkenfysiotherapeut kan uitleggen wat residumeting inhoud, en wat de (klinisch) relevantie ervan is.
  • De bekkenfysiotherapeut kan een residu meting uitvoeren met een bladderscan.
  • De bekkenfysiotherapeut kan uitleggen wat flowmetrie is, en wat de (klinisch) relevantie ervan is.
  • De bekkenfysiotherapeut kan de uitkomsten van flowmetrie en residu bepaling interpreteren en relateren aan het bekkenfysiotherapeutisch onderzoek.
  • De bekkenfysiotherapeut kan de fysiologische/ neurologische interactie tussen de bekkenbodem en de lage urinewegen beschrijven en uitleggen.
  • De bekkenfysiotherapeut kan de –normale- neurologische aansturing van de mictie reflex beschrijven en uitleggen.
  • De bekkenfysiotherapeut kan diagnosen in relatie met abnormale neurologische aansturing van de mictiereflex interpreteren en toepassen.
  • De bekkenfysiotherapeut kan de functie van de lage urinewegen en de relevantie van de bekkenbodem voor die functie voor de patiënt begrijpbaar uitleggen.
  • De bekkenfysiotherapeut kan de mogelijkheden en de beperkingen van urologisch (gynaecologisch) en urodynamisch onderzoek in relatie met de bekkenbodemfunctie (-voor wat betreft de functie van de lage urinewegen) beschrijven en uitleggen.
  • De bekkenfysiotherapeut kan onderbouwen wat de mogelijkheden en van de beperkingen van bekkenfysiotherapie in relatie tot de mictie zijn.
  • De bekkenfysiotherapeut kan beschrijven welke EMG  techniek wordt gebruikt bij urodynamica.